aHET MUSEUM VOOR
aHEEM- EN OUDHEIDKUNDE
aSTELT VOOR ...


De doopput, (misschien) de vroegste levensader van Kontich

Water is een levensnoodzakelijke materie. De mens heeft zuiver water nodig om in leven te blijven. Nu lijkt dit allemaal vanzelfsprekend. We draaien even het kraantje open en het water loopt overvloedig. Zelfs op de meest afgelegen plaatsen.

Dat is ooit anders geweest. De mensen gingen wonen waar er water was. Ze gingen naar het water eerder dan dat het water naar hen toe kwam. Dat is een situatie die nu nog altijd in heel wat ontwikkelingslanden van kracht is. Het sociale leven speelt zich daar zelfs vaak af rond de waterput. Mensen komen er samen om te praten, elkaar te ontmoeten en om het levensnoodzakelijke vocht voor alle mogelijke doeleinden te op te halen en te transporteren naar hun familiekring. Zo zou het ook in Kontich in een ver verleden wel eens kunnen geweest zijn rond de doopput, ook wel Sint-Martinusput genoemd.

 

Het valt al lang niet meer te achterhalen sinds wanneer de bron de functie had om water te putten. De eerste vermelding dateert van 1648, het jaar van de Vrede van Westfalen. Maar het is zo goed als zeker dat de bron al veel langer door de bevolking werd gebruikt. Deze bron gaat waarschijnlijk terug tot de heidense tijden. Afgezien van het gebruik van de bron voor vers en zuiver water, werden dergelijke putten vaak vereerd en aan plaatselijke (af)goden en later, in christelijke tijden, aan heiligen gewijd.

En hiermee hangt dan ook de eerder volkse benaming doopput samen. Gezien het gewijde karakter van de plaats lijkt het ook logisch dat het water uit deze bron werd gebruikt om de Kontichnaren van het doopsel te voorzien. Zo’n put was namelijk erg praktisch omdat het doopsel vroeger gepaard ging met volledige onderdompeling. In de tijden van de kerstening in de vroege middeleeuwen werden zeer veel volwassenen gedoopt, zodat een groot waterbekken goed van pas kwam.

<--- Vroegmiddeleeuwse doop (van Clovis)

Heel vaak werden aan dergelijke bronnen ook genezende krachten toegeschreven. Onze 21ste-eeuwse geest zegt ons dat de zuiverheid van het water bij genezing waarschijnlijk belangrijker is dan de buitennatuurlijke krachten, maar het Kontichs vocht zou vooral oogkwalen hebben (helpen) genezen. Vanzelfsprekend zijn we nu op het gebied van de hypothese aanbeland, maar gelijkaardige putten op andere plaatsen in het Vlaamse land schetsen toch een vrij goed beeld van wat hier precies aan de hand moet zijn geweest. Niet alleen qua gebruik, maar ook qua naamgeving.

 

De benaming doopput ligt voor de hand, maar er is ook de christelijke benaming van Sint-Martinus, die nochtans nooit onze kontreien heeft bezocht. Er is een logische verklaring. Met enige waarschijnlijkheid heeft Sint-Amandus onze streken gekerstend. De man had een grote verering voor Martinus van Tours. De vele kerken die in Vlaanderen aan deze heilige zijn gewijd, getuigen daarvan ten overvloede. Ook onze Kontichse Sint-Martinuskerk is daarvan een uitstekend voorbeeld.

Op het einde van de negentiende eeuw geraakte de doopput wat in vergetelheid bij de bevolking. In 1948 werd de doopput herontdekt. Maar ook die herontdekking is eigenlijk relatief, want de plaatselijke bevolking wist die plek eigenlijk altijd wel liggen, al was het maar als drinkplaats voor het vee. De kinderen gingen er dikkopjes, salamanders en stekelbaarsjes vangen.

Het was vooral de geestelijkheid, onder impuls van deken Van Herck en pastoor De Laet, die de plaats als heiligdom en als Sint-Martinusput terug op de kaart zetten.

Pastoor De Laet

In zoverre dat een jaar later kardinaal Van Roey de eerste steen kwam leggen van wat een heuse kapel moest worden. Meer dan een soort sokkeltje is het echter niet geworden…

 

We moesten wachten tot 1988. In dat jaar werd de doopput in al zijn eer hersteld. Daarmee bedoelen we dat de referenties aan de heidense tijden en de periode van de kerstening de bron in een juister kader plaatsen dan dat er een heuse kapel zou zijn gebouwd. Joris Olyslaegers, toenmalig conservator van de heemkundige kring en kenner van de geschiedenis van de Kelten, creëerde een gebouwtje dat alle symbolische kennis en gegevens van die tijd kristalliseerde.

Ontwerper Joris Olyslaegers (links),
met toenmalig burgemeester Marus Kempeneers (midden) en schepen dr. L. Verbaet (rechts).

In de vorm, de gebruikte materialen en de uitwerking van het gebouw vindt de bezoeker alle mogelijke elementen terug die verwijzen naar die periode en de sacraliteit van de plaats. Een prachtige symbiose van prechristelijke  en christelijke symbolen die de vier elementen: water, lucht, aarde en vuur, samenbrengt en een eeuwenlange gebruiksgeschiedenis tegelijk symboliseert en afsluit.



Misschien vieren we hier wel een bron die al twintig eeuwen of meer in gebruik is, maar we hebben slechts enkele concrete data om de doopput als pronkstuk van ons cultuurpatrimonium te vieren. De eerste attestatie dateert van 1648, de relatieve herontdekking van 1948 en de huidige constructie werd gerealiseerd in 1988. Het is misschien de gelegenheid om op een zondagse wandeling (tussen Ooststatiestraat en Nachtegaalstraat) langs dit schrijn van eeuwenoude religie en verering te passeren en even te verwijlen bij een plek waar ooit onze voorvaderen water gingen halen, een praatje sloegen en stil stonden bij de krachten van het zuivere en zuiverende water.

Tekst: Paul Catteeuw; foto's: Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich.
Voor dit artikel maakten we gebruik van teksten van Joris Olyslaegers en Robert Van Passen.
Uit het informatieblad van de gemeente Kontich, november 2008.

Lees ook het artikel "De doopput en de nachtegaal" van Frank Hellemans, in Kontich Waarloos Hier en Nu (september 2009).

HOME

Created: 01/12/2014
© 2003 - MuseumKontich - Alle rechten voorbehouden