Een oude molen, een nieuwe straatnaam: VRIJSEL

De middeleeuwen worden vaak ten onrechte als duister bestempeld. Voor Kontich en Waarloos is dat echter grotendeels wel het geval. Toch wat betreft de vroege middeleeuwen. Dat komt omdat er geen geschreven bronnen te vinden zijn. Of toch weinig, en dan nog vaak onbetrouwbare. Er moet nog een schat aan gegevens in onze bodem verscholen zitten. Jammer genoeg heeft de lintbebouwing en de aanleg van nieuwe wijken ook weer veel bodemsporen verstoord.

De oudste relicten die nog overblijven, zijn de vele plaatsnamen. Zolang we die nog kunnen lezen, blijven we verbonden met ons verleden.

Vrijsel is er zo een. Bijna vergeten, maar - op advies van de Gemeentelijke Erfgoedraad - door ons gemeentebestuur nieuw leven ingeblazen. Het toponiem verwijst naar een van de oudste en grootse landeigendommen in ons dorp.

Groeningenhof (Ferrariskaart, 1771-1778)

Kontichs Hof ofte Groeningen (ca 1985) --->

De andere zijn beslist beter bekend. Te beginnen met het Kontichs Hof of Groeningen. Daar woonden de heren van Kontich en later de afstammelingen van de heren van Waarloos. Het was een hof van plaisantie, een buitenverblijf. In het midden van de 19e eeuw werd het – in de sfeer van de romantiek – verbouwd tot kasteeltje met renaissance- en gotische elementen. Nep maar charmant.

Landgoederen rond Kontich (Vandermaelen kaarten, 1846-1854)

En er is Boutersem, de verdwenen waterburcht. Altena, al te dicht bij Pluysegem. Ten Eekhoven of Blauwe Steen was een kasteel dat zich niet ver van het huidige containerpark bevond. De Singel verwijst trouwens naar de buitenwal van de hofgracht.

Landgoederen rond Kontich (Ferrariskaart, 1771-1778)

De Reepkenslei is de dreef naar het oude Tanghof of Roosenhof en in onze fusiegemeente Waarloos is er sprake van de hoeve Ter Linden of Hoeve Dom: ze siert de stofwikkel rond de Toponymie van Waarloos van Robert Van Passen. De meeste van deze sites hebben een straatnaam gekregen.

Voorgevel Tanghof (ca 1946)

Reepkenslei Toegangsdreef Tanghof (ca 1946)

Nu ook Vrijsel. Het wordt een weg die de wooneenheden verbindt in een nieuwe verkaveling tussen de Tuinwijk en de Groeningenlei. De naam werd er niet klakkeloos opgeplakt. Vlakbij stond namelijk de Vrijselmolen. Sinds 1875 werd die de molen van Schoesetters genoemd, naar de eigenaar, die hem in 1910 liet afbreken. Een jaar later kreeg hij de vergunning om een maalinstallatie met gasmotor in werking te zetten. Uit dit bedrijf groeide de firma Groeninghe.

De Vrijselmolen, vanaf 1875 bekend als de molen van Schoesetters en afgebroken in 1910

Het Hof van Vrijsel zelf was verder weg gelegen: als je de Groeningenlei volgt tot voorbij de brug over de E19, dan heb je aan de neergebliksemde eik een dreef naar rechts, naar de Baddenbroekse hoeven. Daar in de buurt stond het omwaterde kasteel, niet ver van de grens met Edegem. Er zijn al verwijzingen naar in de 12e eeuw.

De naam betekende zoiets als vrije nederzetting, een woonplaats die niet in het bezit was van een of andere heer. Want zo ging dat meestal in die leenroerige tijden: machtige heren maakten zich meester van eigendommen en eisten één tiende van de opbrengsten. In ruil mocht de leenman wel op een zekere bescherming rekenen. Geen overbodige luxe in tijden van meedogenloos plunderende Vikingen en andere barbaren.

 

Hoe oud de vestiging is weten we niet. Als de documenten beginnen te spreken is Vrijsel echter geen vrije stede meer. Waarschijnlijk heeft de machtigste ridder van de streek ze gekocht of gewoon veroverd. Het was in ieder geval iemand van het invloedrijke geslacht van de Berthouts, heren van o.a. Mechelen en Grimbergen, waar hun stamburcht stond.

Waarschijnlijk was het dezelfde heer die hier de Onze-Lieve-Vrouwekerk liet oprichten (die later naar de parochieheilige werd herbenoemd, de huidige Sint-Martinuskerk dus) en de pastorie met tiendenschuur aan het Sint-Jansplein.

De oudst gekende bewoners noemden zich ook effectief naar hun trotse bezit, zoals Hendrik van Vrisele in de 12e eeuw. Maar zoals dat gaat in leenroerige tijden wordt bezit geërfd en gesplitst en na vele generaties droegen de opvolgers namen als Van Ranst en Jacob Kerreman.

De Vrijselmolen (kaart van 1694)

Deze laatste was in de 15e eeuw schepen van Antwerpen en betrok ook daadwerkelijk de heerlijke woning, met toren en boerderijgebouwen, omringd door een hofgracht, en een grote boomgaard. De pachter moest ook voor het vervoer zorgen van en naar de stad zowel voor de heer als diens gade.

In 1560 kwam het goed in handen van jonker Jacob van Rommerswael, heer van Battenbroek (Walem). Sindsdien wordt er dan ook van de Battenbroekse en later Baddenbroekse hoeven gesproken.

De Baddenbroekse hoeve (2015)

Vrijsel was uitgestrekt en de heer bezat ook een molen. Die stond naast de Doornstraat, met uitzicht op het toenmalige Groeningenhof. De weg die verbinding gaf met het dorp heette Vrijsellei of Molenstraat. De molen werd voor het eerst in oorkonden vermeld in 1347. Tussen 1605 en 1611 werd hij verplaatst naar de plek dichter bij het dorp.

In 1723 brandde het houten gevaarte volledig af. Meteen werd er een nieuwe windmolen opgericht, en het is waarschijnlijk nog altijd dezelfde die tot 1910 het graan maalde voor onze bakkers. Aangezien de molen van Kontich nu niet meer zo ver lag, werd de Molenstraat ingekort en werd het lange traject daar voorbij Groeningenlei genoemd.

De molen van Schoesetters, vroeger de Vrijselmolen (1909) 

In de loop van de 17e en 18e eeuw kwam het Vrijselhof in verval. Alleen de hoevegebouwen bleven in gebruik. De gronden werden versnipperd en verkocht. Sic transit gloria mundi - en zo is ook de glans van het oude, feodale Kontich voorbijgegaan.

Met de nieuwe straatnaam is Vrijsel nu weer in ere hersteld. Een eerste in een lange rij?

Tekst: Frank Hellemans; foto's: Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich; kaarten: Geopunt Vlaanderen-Historische kaarten.
Uit het Informatieblad van de gemeente Kontich, januari 2016.

Zoeken in onze website

Created: 14/01/2016
© 2003-2016 - MuseumKontich - Alle rechten voorbehouden