aHET MUSEUM VOOR
aHEEM- EN OUDHEIDKUNDE
aSTELT VOOR ...

 

DE WINDMOLEN VAN WAARLOOS

Molens waren vroeger belangrijke merktekens in een landschap en noodzakelijke instellingen voor de dorpsgemeenschap. Het was dus wel noodzakelijk voor een dorp om een molen te bezitten. Kontich bezat zelfs drie molens. Tussen de twee fusiedorpen Kontich en Waarloos is het niet altijd koek en ei geweest. Getuige hiervan het relaas over de molen van Waarloos.

In 1629 deed Waarloos een eerste poging om een eigen molen te verkrijgen, maar door de tegenkanting van de Kontichse Rijckerooiermolen is daar niets van terecht gekomen (… alsoo hij verstont dat dit zijn eigen molen zou ruineren…). Maar die molen was tijdens de winter slecht te bereiken, langs een kronkelweg dubbel zo ver als in vogelvlucht. Tegen 1765 raakte die weg nog meer in verval en onberijdbaar in de winter.

In 1765 was Hendrik Servaes een jonge molenaar uit Willebroek kandidaat-molenaar voor Waarloos en er werd een verzoekschrift gericht aan zijne Majesteit om in Waarloos een molen te mogen oprichten, samen met een attestatie van de dorpelingen en ondertekend door 37 handtekeningen, vijf van de schepenen, twee burgemeesters, de pastoor en nog 29 anderen.

De Kontichse Rijckerooiermolenaar gaat onmiddellijk in het verweer en roept alle omliggende molenaars bijeen en ze richten samen een tegenverzoek aan de Staten van Brabant. Hun argumentatie bevat 6 punten:

  1. Waarloos is zeer klein en omringd door molens, een molenaar zou daar niet genoeg verdienen.
  2. De inwoners van Waarloos zijn steeds goed bediend door de omliggende molens.
  3. De plaats van de nieuwe molen is ook ver van het dorp, en een groot deel van de inwoners zullen dichter tegen de molens van Kontich en Duffel wonen.
  4. De Koningsmolen van Reet zal minder verdienen, omdat de andere molens door het verlies van Waarloos hun cliënteel zullen “verschuiven”.
  5. Zelfs de watermolen van Boom zal schade ondervinden.
  6. Hun taksquote zou moeten worden aangepast als Waarloos voor hen verloren gaat.

Op die reactie van de omliggende molens volgt op 1 oktober 1765 een attestatie vanwege de schepenen van Waarloos. Zij verklaren dat Waarloos 324,5 bunder groot is en meer dan 4àà inwoners heeft. Ook worden de opgegeven afstanden en tijden die de molenaars laten uitschijnen weerlegd, zij laten de paarden naar hun molen lopen tegen 6 tot 8,6 km per uur, maar naar de nog op te richten molen tegen minder dan 3 km per uur! Die berekeningen naar de andere molens zijn dan nog geschat op afstand in vogelvlucht!

Ook is er een attestatie van schepen-pachter Peeter De Vocht: … dat hij over ontrent 1 maent of 6 weken geleden een zak koren heeft gevoerd om te maelen en enkele dagen later zijn koren nog niet gemalen was; zijn zoon heeft van ’s morgens tot ’s avonds gewacht maar de maalder maalde altijd voor die van Kontich. Ook de oude smid Piron getuigt dat hij 30 jaar geleden met koren naar de Rijckerooimolen ging en zag dat er nog roggemeel was om te wisselen tegen zijn koren zoals dagelijks gebeurde, maar de maalder of zijn knecht zei dat het meel voor die van Kontich was.

Een half jaar later op 2 mei 1766 verklaart de Rijckerooimolenaar Frans Jozef Verhaegen op verzoek van eigenaar Gillis Janssens voor de notaris onder eed: “dat het zeer vals en onwaarachtig is dat hij ooit tegen iemand van Waarloos zou gezegd hebben dat het meel voor die van Kontich was, tenzij hetselve verpast was…”.

De eigenaar van de Rijckerooimolen biedt aan zijn windcijns te verhogen met de winst die men voor Waarloos voorziet. Hij verwijst ook naar de akte van zijn octrooi van 1629 en zegt dat toendertijd Waarloos aan de Rijckerooimolen werd toebedeeld. Maar dit wordt prompt door de Staten van Brabant weerlegd. De eigenaar van de Rijckerooimolen biedt uiteindelijk 2400 gulden.

Het pleidooi van Waarloos ging nog verder: De kerk van Waarloos bevindt zich nagenoeg in het midden van het dorp en de kleine molen ligt op een kleine kwart mijl, juist in het midden van de omringende molens, waarvan de dichtstbijzijnde langs een wegel die in de winter onberijdbaar is. Het is dus fout wat de omliggende molenaars beweren dat Waarloos zeer klein is. Dan volgt nog een vurig pleidooi voor vrijemarkteconomie. De verklaringen van de schepenen bewijzen hoeveel kwaads deze molenaars hebben verricht met de voorkeursbehandeling voor die van Kontich en hoeveel verloren tijd dit voor Waarloos betekent. In het vierde en vijfde artikel spreken ze over de belangen van zijne Majesteit. De domaniale molen zou verlies lijden, nochtans ging er nooit iemand van Waarloos. De molens van Reet en Boom hebben niets te vrezen, dat bewijzen de afstanden. Zelfs integendeel, de omliggende molenaars hebben steeds getracht het de molenaars van Reet en Boom moeilijk te maken. Waaruit blijkt dat de ijver die ze nu voorwenden een sluwe list is om hun eigen gewin te beschermen. Het laatste artikel betoogt dat het pijnlijk zal zijn voor hen om even zwaar belast te worden met minder verdienste. Maar aangezien ze beweren dat de nieuwe molen nagenoeg geen klanten zal hebben, zijn ze dus nog eens in tegenspraak met zichzelf. Er moet ook op worden gewezen dat de molenbelasting zeer matig is gebleven, terwijl de opbrengsten wegens de groeiende bevolking stegen. Te meer daar de inwoners van Waarloos evenveel recht hebben op een molen, zij betalen even goed de schatting…, enz.

Na nog wat over en weer geschrijf tussen de Staten van Brabant en de Raad van Financiën en na nog ingewonnen inlichtingen over het octrooi van de omliggende molens, volgt op vijf augustus 1766 een brief van Raadsheer Cuylen die betoogt: “Alles wel overwogen kan men Waarloos niet het recht ontzeggen om een eigen molen te bezitten.” Het octrooi van keizerin Maria Theresia werd afgeleverd op 15 juli 1767 en in het jaar 1768 werd de molen opgericht. In 1769 wordt de molen voor het eerst gebruikt, want voor dat jaar betaalt Hendrik Servaes voor de eerste keer belastingen te Waarloos en niet meer te Willebroek.

In 1914 werd de molen van Waarloos vernield door de genietroepen van het Belgische leger en daarna niet meer opgebouwd. Molenaar Spruyt begon met een stoommolen aan de overzijde van de baan. Toen de laatste maalder Victor Spruyt zijn klanten verloor, omdat er steeds minder boeren over bleven, richtte hij zijn bedrijf in voor een rijstpufferij. Op 15 februari 1987 overleed de laatste maalder.

Dit verhaal over de molen van Waarloos leert ons dat zelfs onze dorpsgeschiedenis niet op rozen gebouwd is en dat winstbejag vaak aan de oorzaak ligt van kleine en grote conflicten.

Elza Broes

HOME

Created: 20/01/2009
© 2003 - MuseumKontich - Alle rechten voorbehouden